
De Allerheiligste Verlosserkerk van de paters redemptoristen aan de Goudse Rijweg (1884-1978)
De kerk aan de Goudse Rijweg brandde gedeeltelijk af in de nacht van 6 op 7 augustus 1979; de karakteristieke hoge torenspits ging verloren. Brandstichting werd vermoed, want de brand brak uit hoog in de toren en ook vond de brandweer een stapel oude kranten. Het pand werd in 1982-1984 tot studentenwoningen verbouwd, met als naam “De Kerk” (1985).
De torenspits werd niet herbouwd. Het pand valt desondanks nog steeds als neogotische kerk te herkennen. Het klooster werd ook door brand getroffen (29 januari 1980) en werd gesloopt (1980-1981). De paters redemptoristen (een katholieke internationale congregatie van religieuzen, gesticht in 1732) bouwden in 1881-1885 hun kerk, met klooster, in Crooswijk, adres Goudse Rijweg 123-125. Dit was geen parochiekerk, maar een hulpkerk (rectoraatskerk[1]). De kerkwijding was op donderdag 27 maart 1884, het klooster kon op donderdag 29 januari 1885 worden betrokken. Er was ook een kapel, schuin achter de kerk. Alle gebouwen, in de stijl van de neogotiek, waren een ontwerp van J. Kayser, een leerling van de beroemde Pierre Cuypers. Achter kerk en klooster bevond zich nog een diepe tuin, die doorliep tot de Spiegelnisserkade.
De paters redemptoristen legden zich met name toe op retraites, biecht horen, missiewerk (incl. het uitgeven van tijdschriften), lijdensmeditaties in de vastenperiode en vooral in de Goede Week, Mariaverering, preken en de algemene zielzorg. Ook vonden diverse “broederschappen” in de kerk onderdak (die hadden er ook hun altaren). Hun tijdschriften: Het Petrus Donders Tijdschrift. De Volks-Missionaris. Sint Gerardus Klok.

Echter, vanwege de gewijzigde situatie na de oorlog (door het Duitse bombardement van 14 mei 1940 waren diverse parochiekerken verloren gegaan), werd de kerk op 16 februari 1948 voor de eigen omgeving (Crooswijk, Rubroek) een gewone parochiekerk. Het westelijke deel van Kralingen (t/m de Jericholaan) kwam ook onder deze nieuwe parochie te vallen. Circa 1964 werd het kerkinterieur in het kader van de “liturgische vernieuwing” (het was de tijd van het Tweede Vaticaans Concilie, 1962-1965, gericht op modernisering van de kerk) versoberd; de tot dan veelkleurige binnenmuren werden grijs gepleisterd.
Door sterk teruglopend kerkbezoek werd in 1969 een fusie aangegaan met de H. Barbarakerk, op de Crooswijkseweg (ontwerp van de Rotterdamse architect Jos. Margry, 1922-1923). Deze kerk werd echter in 1974 gesloten en in 1977 afgebroken. Op 14 juni 1975 verlieten de paters redemptoristen Rotterdam; hun kloostergemeenschap werd ontbonden. De laatste pastoor, Van Wijk, was overigens wel een pater redemptorist, maar de kerk was nu geen “paterskerk” meer. Drie jaar nog (1975-1978) zou hij pastoor in de Verlosserkerk blijven. De Verlosserkerk werd, na een laatste H. Mis op zondag 29 oktober 1978, eveneens gesloten. Het gebouwencomplex werd verkocht aan een projectontwikkelaar, Sipkema.
De kerk was op de monumentenlijst geplaatst, afbraak was geen optie. Woningen in de kerk? Of kantoren? De kerk en het klooster stonden leeg en eigenlijk zat iedereen er een beetje mee in zijn maag. Na de genoemde brand werd dan de oplossing gevonden: in de kerk kwamen studentenwoningen.

[1] Rector (“bestuurder”), het hoofd van een niet-parochiële kerk (zoals deze ‘hulpkerk’), vandaar: rectoraatskerk.
https://www.lambertuskerk-rotterdam.nl/data/pam/public/kerkgebouw/verlosserkerk_deel_1_1884-1939_-_wim_knoops_(2024)_(versie_12052026).pdfhttps://www.lambertuskerk-rotterdam.nl/data/pam/public/kerkgebouw/verlosserkerk_deel_2_1940-1978_-_wim_knoops_(2024)_(versie_12052026).pdfhttps://www.lambertuskerk-rotterdam.nl/data/pam/public/kerkgebouw/kleurenfotos_interieur_kerk_na_de_brand_(versie_02042025).pdfhttps://www.lambertuskerk-rotterdam.nl/data/pam/public/kerkgebouw/bijlagen_(versie_31102024).pdf